Ik haat Agaath!

Ik haat Agaath 

Agaath is er altijd. Als ik thuis ben, bij mijn gezin of bij een vriendin, als ik werk of sport, altijd. Agaath is minstens 10 x zo sterk als ik. En ze is enorm groot. Ze is zó groot, dat ik haar gezicht nog nooit gezien heb. Ik heb me wel een voorstelling van haar hoofd gemaakt. Ik denk dat ze vies vettig haar heeft, bleke gelige ogen, en ik weet bijna zeker dat ze een dikke bruine pukkel op haar grote neus heeft. Zo’n heksenpukkel, waar drie haren uit komen.

  Agaath is héél gemeen, en stampt met haar grote voeten door mijn leven. Ze geeft de hele dag commentaar, en stopt nooit met praten. Als ik iets kwijt of vergeten ben, of iets laat vallen, wat allemaal nogal regelmatig gebeurt, tettert ze in mijn oren dat ik zo ongelooflijk onhandig ben, een grote domme onhandige trien. En als ik iets niet begrijp, of een fout heb gemaakt, is het hek helemaal van de dam. Dan begint ze te schreeuwen, dat ik nergens voor deug, dat iedereen slimmer is dan ik. Dan ik absoluut de domste van het hele universum ben.

  Agaath vind mijn ook lelijk, en dik. Ze weet me feilloos in te peperen dat ik er niet uit zie. Dat ik veel te veel eet, iedere dag, dat ik een lompe dikzak ben, die geen enkele wilskracht heeft. En ondertussen fluistert ze wel de hele tijd in mijn oor dat ik móet eten, die héle reep chocola, dat enórme pak koekjes, alsof ze wil dat ik faal.`
  Als ik een afspraak heb of een leuk gesprek met iemand, zomaar in de wandelgangen, vind Agaath het nodig om mij er op attent te maken dat hij of zij mij echt niet leuk vindt, niet de moeite waard. Dat ik nooit ergens bij ga horen.
  Van alles heb ik ondernomen om Agaath tot rede te brengen. Ik heb geprobeerd met haar te praten, ik heb haar genegeerd, ben boos op haar geworden, het werkte allemaal niet.

  Op een dag heb ik haar weggestuurd. Stampvoetend liep ze naar buiten, en sloeg de deur met een enorme klap achter zich dicht. Een diepe stilte volgde. Heerlijk vond ik het. Maar Agaath zou Agaath niet zijn als ze het er bij zou laten zitten. Door de achterdeur kwam ze dezelfde dag nog terug, en ging met extra enthousiasme verder waar ze gebleven was. Ik heb nog een aantal pogingen gedaan om zo van haar af te komen, met wissend succes, want soms bleef ze wat langer weg dan anders, maar vroeg of laat stond ze, met haar enorme voeten, alles plat te trappen wat ik opgebouwd had, en kon ik weer opnieuw beginnen.

  Ik heb besloten om Agaath maar te accepteren. Ze is er, en zal nooit verdwijnen, dat is me inmiddels wel duidelijk. Ik probeer me niet meer door haar te laten raken, ook al is dat soms heel moeilijk.
Ik haat Agaath, maar ze hoort bij mij, dus moeten we er samen maar het beste van maken.

Share on facebook
Share on linkedin